Ballerina's Ballerina's

P. (PIERRE) CARRIER-BELLEUSE 1851 Parijs (Frankrijk) - 1932 Parijs (Frankrijk) Ballerina's

Pastel / Doek: 80 x 64 cm


Beschikbaar, prijs op aanvraag
  • Dit object kan bekeken worden in onze gallery
  • Bel ons voor meer informatie: +31 26 361 1876
  • Wereldwijde verzending mogelijk

Details

In een wolk van tule zitten twee jonge ballerina’s op een bankje. Misschien delen ze nog even iets voordat de voorstelling begint, misschien schikken ze nog iets aan elkaars kostuum. Het ene meisje zien we op de rug, het andere kijkt ons recht in het gezicht. De meisjes gaan zo het toneel op en bevinden zich nu in een tussenwereld, niet meer helemaal in de gewone wereld. Dat zijn de scènes waarmee Pierre Carrier-Belleuse vooral bekend is geworden: geen dramatische voorstellingen, maar intieme momenten rond het ballet, zacht omfloerst vastgelegd in pastel op doek.

Daarmee sloot Carrier-Belleuse aan bij een geliefd onderwerp in de Parijse kunst van de late negentiende eeuw. Het ballet van de Opéra was een droomwereld van gratie, discipline, licht en muziek. Edgar Degas had het onderwerp beroemd gemaakt door niet alleen de voorstelling zelf te tonen, maar juist ook de repetitie, het wachten, de vermoeidheid en de concentratie achter de schermen. Carrier-Belleuse keek naar dezelfde wereld, maar met een andere gevoeligheid. Waar Degas vaak scherper, onderzoekender en soms bijna meedogenloos observeerde, en daarbij hintte op de donkere kant van het ballet, bleef Carrier-Belleuse dichter bij de poëzie van het tafereel. Zijn pastels hebben een charme die meer doet denken aan de andere grootmeester van het ballet, Auguste Renoir.

Carrier-Belleuse was bovendien virtuoos in het gebruik van pastel, een medium dat zich bijzonder goed leent voor dit onderwerp. Pastel kan zacht en poederig zijn, maar ook verrassend helder. Het vangt de luchtigheid van tule, het matte licht op huid, de glans van satijn en de vluchtige beweging van een arm of rok. In zijn beste werken lijken de ballerina’s niet zwaar op de grond te staan, maar op te lichten uit het papier. De contouren zijn soms los, de kleuren teder. Het gaat hier niet alleen om academische perfectie, maar vooral om elegantie en atmosfeer.

Carrier-Belleuse was geen impressionist in de strikte zin van het woord. Daarvoor is zijn werk vaak te verzorgd, te salonfähig, te gericht op charme en verfijning. Hij stond eerder op de grens tussen academische traditie, Belle Époque-smaak en een losser, moderner gevoel voor het vluchtige moment. Als zoon van de beroemde beeldhouwer Albert-Ernest Carrier-Belleuse, de leermeester van Rodin, was hij opgegroeid in de academische traditie. Hij maakte portretten, genrestukken, landschappen en illustraties. Na een verblijf in Amerika maakte hij vrijwel alleen no maar pastels. In zijn balletscènes verzachtte hij die academische achtergrond tot een kenmerkend charmant, licht en direct oeuvre. Zijn danseressen horen bij de wereld van de Belle Époque: een Parijs van theaters, opera, affiches, mode, cafés en avondvermaak. Het zijn beelden van een stad die in die jaren werkelijk het centrum was van Europese elegantie en kunstzinnige verfijning.

Pierre Carrier-Belleuse had een uitzonderlijk gevoel voor de intimiteit van het theater. Zijn ballerina’s zijn jonge meisjes in een moment van geconcentreerde voorbereiding, omgeven door tule, satijn, roze kousen en glanzende spitzen. Hij schilderde niet zozeer de inspanning van het dansen, maar de spanning vlak voor of vlak na het optreden. Dat maakt zijn balletscènes aantrekkelijk. Ze hebben de charme van het tussenmoment. Een danseres trekt haar lint recht, zet haar voet op een stoel, kijkt in de verte of wacht op haar beurt. De aandacht ligt niet op de sprong of de pirouette, maar op het gebaar dat daaraan voorafgaat. Juist daardoor ontstaat een gevoel van intimiteit.

Bijzonder genoeg is Pierre Carrier-Belleuse ook bekend geworden als de schilder van een heel andere wereld. In 1914 begon hij, samen met andere schilders, aan wat bekend werd als het grootste schilderij ter wereld: een panorama van 123 meter in omtrek en 14 meter hoog. Het _Panthéon de la Guerre _werd onthuld in 1918 en toonde portretten van belangrijke geallieerde leiders, staatshoofden en militaire helden uit de Eerste Wereldoorlog. Er waren zo’n zesduizend soldaten op te zien, ten voeten uit geschilderd. Delen ervan bestaan nog altijd en zijn te zien in een museum in Kansas City.

Artiest
P. (PIERRE) CARRIER-BELLEUSE1851 Parijs (Frankrijk) - 1932 Parijs (Frankrijk)

Titel
Ballerina's

Materiaal & Techniek
Pastel / Doek

Afmetingen
Hoogte: 80 cm

Breedte: 64 cm

Signatuur
Linksonder gesigneerd "Pierre Carrier-Belleuse"

Provenance
Direct verkregen via familie van de kunstenaar

Particuliere collectie België

Categorie
Schilderijen

Over P. (PIERRE) CARRIER-BELLEUSE

Pierre-Gérard Carrier-Belleuse werd op 28 januari 1851 in Parijs geboren als zoon van de gerenommeerde beeldhouwer Albert-Ernest Carrier-Belleuse, bij wie hij zijn eerste artistieke vorming ontving. Vervolgens studeerde hij aan de École des Beaux-Arts onder Alexandre Cabanel en Pierre Victor Galland. Vanaf 1875 exposeerde hij regelmatig op de Parijse Salon, waar hij in 1887 een eervolle vermelding ontving. Op de Exposition Universelle van 1889 werd zijn werk bekroond met een zilveren medaille. In 1890 trad hij toe tot de Société Nationale des Beaux-Arts, en in de jaren 1890 doceerde hij aan de Académie Julian. Hoewel hij ook landschappen, portretten en genrestukken schilderde, dankt Carrier-Belleuse zijn faam vooral aan zijn intieme voorstellingen van vrouwen en in het bijzonder aan zijn balletscènes, waarin hij de gratie van het 'corps de ballet' van de Parijse Opera vastlegde. Vanaf circa 1885 werkte hij vrijwel uitsluitend in pastel, een medium dat hij met grote virtuositeit beheerste. Daarnaast leverde hij tekeningen en lithografieën voor Le Figaro Illustré. Hij verbleef regelmatig aan de Opaalkust, waar hij een villa bezat in Wissant en deel uitmaakte van de kunstenaarskolonie rond Adrien Demont en Virginie Demont-Breton. Tussen 1914 en 1916 initieerde en superviseerde hij samen met Auguste François-Marie Gorguet het Panthéon de la Guerre, destijds het grootste schilderij ter wereld, met bijna vijfduizend portretten van geallieerde oorlogsfiguren. Hij overleed in 1932 in Parijs.

De pasteltechniek van Pierre Carrier-Belleuse Vanaf circa 1885 verlegde Carrier-Belleuse zijn artistieke zwaartepunt nagenoeg volledig naar het pastel, een keuze die samenviel met de bredere herwaardering van het medium in het Parijse kunstleven van het laatste kwart van de negentiende eeuw. Die herleving, waarin onder anderen Degas, Manet en Berthe Morisot een sleutelrol speelden, en die institutioneel werd verankerd door de oprichting van de Société des Pastellistes Français in 1885, maakte het pastel los van zijn achttiende-eeuwse reputatie als verfijnd portretmiddel en opende het voor moderne, zintuiglijke onderwerpen: het theater, de coulissen, het lichaam in beweging. Carrier-Belleuse situeerde zich nadrukkelijk binnen deze ontwikkeling. Technisch onderscheidt zijn werk zich door een aantal weloverwogen keuzes. Hij werkte regelmatig op groot formaat, soms ruim boven een meter hoog, en gebruikte daarbij doek als drager in plaats van het meer gebruikelijke papier. Pastel op doek vereist een geprepareerde, licht korrelige ondergrond die voldoende grip biedt op de droge pigmentstaaf, en stelt de schilder in staat om in meerdere lagen te werken zonder dat de kleur snel verzadigd raakt. Deze keuze verklaart mede de schilderachtige dichtheid van zijn balletscènes: de tutu's krijgen hun karakteristieke, bijna oplichtende volume door opeenvolgende lagen die van donker naar licht zijn opgebouwd, waarbij de bovenste toetsen vaak met de zijkant van het krijt zijn aangebracht om een poederige, lichtbrekende textuur te bereiken. Voor de huid en gezichten daarentegen werkte hij met fijnere, meer gemengde toetsen, soms met de vinger of stomp uitgewreven, wat de gladde porseleinachtige werking oplevert die typerend is voor zijn portretten van danseressen. Zijn reputatie als colorist, die door tijdgenoten herhaaldelijk werd opgemerkt, hangt direct samen met deze gelaagde werkwijze. Pastel laat geen optisch mengen op het palet toe: elke nuance moet als afzonderlijke kleurstaaf worden gekozen en vervolgens op de drager met andere tonen worden verzoend. Carrier-Belleuse beheerste dit register opvallend goed in de overgangen tussen warm podiumlicht en koelere schaduwpartijen, een effect dat hij vooral in zijn coulissetaferelen tot virtuoze hoogte voerde. Hoewel hij dikwijls in één adem met Degas wordt genoemd, zoekt hij minder de compositorische experimenten en uitsneden van zijn beroemdere tijdgenoot, en blijft hij dichter bij de salonconventies van een gecentreerde, leesbare figuur. Daarmee bezet hij binnen de Belle Époque een eigen positie: technisch verwant aan de impressionistische pastellisten, maar in onderwerp en presentatie nog verbonden met de geraffineerde academische traditie waarin hij was opgeleid.