Olieverf / Doek: 44 x 39 cm
Geer van Velde baseerde zijn schilderkunst op de analyse van waargenomen vormen en hun ruimtelijke verhoudingen, die hij reduceerde tot een lineaire compositie van vlakbegrenzingen en kleurordeningen. Zijn werk evolueerde langzaam van schilderijen met een herkenbare voorstelling tot volledig abstracte werken. Die abstractie had echter altijd zijn basis in de zichtbare werkelijkheid. De dingen werden kleurvlakken, maar de ruimte tussen de dingen was minstens zo belangrijk. Zelf schreef hij: “Kijk eens naar dat potlood en die inktpot. Het essentiële is niet het ene of het andere maar de ruimte die er tussen beide is. Dat is heel iets anders dan hun omvang of perspectief. Wanneer je naar een steen kijkt, zie Je één van zijn twee kanten, maar kennelijk kun je er ook omheen, je kunt naar de 'achterkant kijken en dan beschouw je die steen als een los voorwerp, als een fragment, als iets wat in zichzelf voldoende is, een compleet ding. Toch ademt de steen en zou niet zonder de ruimte kunnen bestaan. Tegelijkertijd zie je al die opgeblazen dingen, ze zien eruit als rijpe vruchten van de boom der kennis, maar wat hen opblaast is die wilde ruimte, zoals de wind een laken doet opbollen... De dingen zijn valstrikken voor het licht; er is geen een die het licht niet wil binnenlaten, zelfs binnen de meest ondoorzichtige dingen is er licht."
Geer van Velde wilde dus niet alleen de dingen zelf schilderen, maar ook dat wat de dingen verbindt. Licht en ruimte maakte hij tot zelfstandige elementen, die hij in een zorgvuldig evenwicht samenbracht. Zo ontstonden abstracte stillevens in een geabstraheerde werkelijkheid. Het maken van een klein schilderijtje als het onze was een lang en intensief proces. Hij begon met het uitgebreid preparen van het doek, waar hij verschillende lagen op aanbracht en monteerde het dan op een houten plank. Dan volgde een laag zinkwit. Daarop tekende hij met houtskool de lijnen van de compositie in de nog natte verf. Met een stuk krant depte hij de verf droog tot een mat oppervlak met zwarte lijnen ontstaan was. Op die basis begon hij te schilderen. Kleurvlakken werden aangebracht, die hij nadat ze gedroogd waren weer afschuurde met puimsteen. Daarna schilderde hij er weer overheen. Zo ‘veroverde’ hij het schilderij, zoals hij het noemde. Zijn aandacht ging vooral naar de manier waarop het schilderij het licht weerkaatste of absorbeerde. Voortdurend draaide hij het schilderij om de verschillende soorten lichtval te bestuderen. De matte, subtiele kleuren die zo kenmerkend zijn voor zijn werk kwamen zo tot stand.
De Iers-Franse schrijver Samuel Beckett was een groot bewonderaar van Geer van Velde en van diens broer Bram. Hij verdedigde hun werk hartstochtelijk en steunde de twee broers waar hij kon. In een essay met de titel De schilderkunst van de Van Velde's of de wereld en de broek, gaf hij een rake karakterisering van het werk van Geer van Velde: “Wat kun je zeggen over die verschuivende perspectieven, die levende contouren, die uit mist gesneden vormen, dat evenwicht dat elk moment verbroken kan worden, verbroken wordt en zich weer herstelt onder de blik van de toeschouwer? Hoe moet je spreken over die kleuren die ademen, hijgen? Over dat krioelende stuwsel? Over die gewichtloze, krachteloze, schaduwloze wereld? (...) Hier is alles in beweging, zwemt, vlucht keert terug valt uiteen en herstelt zich weer. Alles houdt onophoudelijk op. Het lijkt een opstand van moleculen, het binnenste van een steen, in de fractie van een seconde voordat hij uiteenvalt.” Mooier is het werk van Geer van Velde niet te beschrijven.
Geer van Velde was een Nederlandse schilder en een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de naoorlogse École de Paris. Als jongere broer van Bram van Velde leerde hij het schildersvak bij decoratiebedrijf Kramers in Den Haag. Na zijn militaire dienst bij het Rode Kruis vestigde hij zich in 1925 in Parijs, waar hij zich volledig aan de schilderkunst wijdde. Aanvankelijk werkte Van Velde figuratief-expressionistisch, beïnvloed door het fauvisme. Na een verblijf in Zuid-Frankrijk (vanaf 1938) evolueerde zijn werk richting abstractie, gekenmerkt door een reductie van de werkelijkheid tot verticale, horizontale en diagonale lijnen, gecombineerd met subtiele kleurvlakken en een gefilterd licht. In 1937 ontmoette hij schrijver Samuel Beckett, die een belangrijke rol speelde in zijn carrière en meerdere essays aan zijn werk wijdde. Van Velde exposeerde bij Galerie Maeght in Parijs en de Kootz Gallery in New York, en won in 1951 de eerste prijs voor buitenlandse kunstenaars op de Biënnale van Menton. Vanaf 1944 woonde en werkte hij in Cachan, waar hij tot zijn dood bleef.