Olieverf / Doek: 80,5 x 70 cm
George Hendrik Breitner (1857 tot 1923) vestigde zich in 1886 in Amsterdam en bleef de stad tot zijn dood trouw. Zij was zijn meest geliefde onderwerp. In donkere, sfeervolle doeken legde hij het straatbeeld en zijn bewoners vast, gefascineerd door de dynamiek van een metropool in volle transformatie. Amsterdam veranderde in zijn tijd van ingeslapen provinciestad in een bruisende handels- en industriestad. De bevolking groeide explosief, nieuwe wijken verrezen, hele blokken oude huizen werden gesloopt en grachten gedempt. Voor een hele generatie schrijvers en schilders was het een opwindende tijd. Dichter Herman Gorter verwoordde de gedeelde sensatie: "Amsterdam was een suffe stad geweest maar het werd een levende stad. En wij waren overal bij."
Breitner schilderde die metamorfose: bouwputten, sloopwerkzaamheden, de schittering van etalagelicht in natte straten. Hij toonde het stadsleven zelden van zijn vrolijkste kant, maar ondanks de soms sombere sfeer van zijn werk had hij geen belangstelling voor de sociale ellende die deze veranderingen met zich meebrachten. Hij keek vooral als schilder. Vorm en kleur, omhuld door wat hij zelf "de fijne damp" van de stad noemde, hadden zijn aandacht. Ook als fotograaf struinde hij de straten af. Hij maakte duizenden opnamen, vaak vanuit ongebruikelijke standpunten, die hem hielpen originele composities voor zijn schilderijen te vinden. Die fotografische blik herkennen we in plotseling afgesneden beeldranden, opvallend lage of hoge gezichtspunten, een zekere vaagheid en een lichte perspectivische vertekening. Zijn fotografische nalatenschap vormt vandaag een uitzonderlijk document van het Amsterdamse leven rond de eeuwwisseling.
Breitner werkte het liefst bij somber weer, bij avond, in mist of regen. Zelfs zijn drukbevolkte pleinen en straten ademen vaak een gevoel van verlatenheid en eenzaamheid. Zijn handschrift is onmiskenbaar: een brede toets, felle kleuraccenten, scherpe licht-donkercontrasten en een opvallende afwezigheid van details. Op zijn tijdgenoten maakte dit werk diepe indruk. Zijn voornaamste concurrent en collega Isaac Israels schreef: "Ik heb daarnet een schilderij van Breitner gezien. (...) Het ziet er prachtig uit. Zoo zelfs dat ik geen lust meer had om verder te wandelen en maar naar huis ben gegaan. Ik dacht ik schei er mee uit, tegen zulk werk kun je toch niet op schilderen. Ik krijg van zijn werk altijd een opdonder, als iemand die ineens iets begrijpt."
George Hendrik Breitner begon zijn artistieke opleiding aan de Haagse Academie in 1876. Onder invloed van de schilders van de Haagse School en hun nieuwe realistische benadering van de natuur ontwikkelde Breitner een moderne en impulsieve eigen stijl en werd hij al snel door collega-kunstenaars beschouwd als een buitengewoon talent. Hij werd lid van het schilderkunstige genootschap Pulchri Studio en hielp bij het schilderen van het Panorama Mesdag (1880-1881), dat nog altijd kan worden bezichtigd. Hij schilderde er onder andere de cavalerie, oefenend op het strand. In 1882 besloot hij een nieuwe weg in te slaan. In een brief schreef hij: ‘Ik zelf, Ik zal de mensch schilderen op de straat en in de huizen de straten en huizen die ze gebouwd hebben ’t leven vooral. Le peintre du peuple zal ik trachten te worden of liever ben ik al omdat ik ’t wil.’ In de jaren 1882-1883 ging hij geregeld om met Vincent van Gogh, met wie hij veel over straat liep ‘om figuren te gaan zoeken en aardige gevallen’. Ontevreden met het culturele klimaat in Den Haag en aangetrokken door de dynamische en inspirerende stad Amsterdam, verliet Breitner Den Haag en trad hij in 1886 toe tot de Amsterdamse Academie.
In datzelfde jaar richtte een groep jonge bohemien-schrijvers het literaire tijdschrift 'De Nieuwe Gids' op, waarin ze hun beschouwingen over hedendaagse kunstenaars publiceerden en het 'L'art pour l'art'-ideaal in de beeldende kunst en literatuur hartstochtelijk propageerden. Tot de groep, ook bekend als de 'Tachtigers', behoorden figuren als de schilder Willem Witsen (1860-1923), de schrijver Adriaan Roland Holst (1888-1976), de schilder Jan Veth (1864-1925), de componist Alfons Diepenbrock (1862-1921) en anderen. De Tachtigers vonden de persoonlijke indruk veel belangrijker dan de weergave van realistische details. Alle belangrijke leden waren op Amsterdam gericht, waardoor de artistieke scène veranderde van Den Haag naar Amsterdam en het impressionisme een stads- in plaats van een landschapsoriëntatie kreeg. Vandaar het Amsterdams impressionisme.
Als ambitieuze schilder van het moderne leven werd Breitner, samen met Isaac Israels (1865-1934), een van de leidende figuren van de Amsterdamse impressionistische beweging. In de ogen van zijn tijdgenoten was Breitner de kunstenaar die die elementen op het doek wist weer te geven die de aantrekkelijke elementen van de stad definieerde. Als 'Le peintre du peuple' wilde hij geen klassieke thema's schilderen of op academische wijze realistische historische schilderijen maken, maar vooral het alledaagse leven weergeven.
Breitner zwierf vaak door de straten met zijn schetsboek en camera om het dagelijks leven van bouwvakkers, arbeiders, dienstmeisjes en spelende kinderen vast te leggen. Met krachtige penseelstreken legde hij vast wat hij zag: een vluchtig moment, een fragment in de tijd. Een indruk overbrengen was schilderen op zijn puurst, het oog doet de rest. Het bruisende stadsleven zou een terugkerend onderwerp worden in zijn oeuvre. Na 1914 schilderde hij minder en ook fotograferen deed hij nauwelijks meer. Hij overleed op 5 juni 1923 achter zijn ezel, met palet en kwast in de hand.