Olieverf/board: 36 x 27,4 cm
Dit schilderij verbindt twee kunstenaars die van groot cultureel belang waren in Nederland in de jaren 1880: de schilder Georg Hendrik Breitner en de schrijver Frans Erens. Ze waren bevriend en werkten beiden op dat moment in Amsterdam. Erens woonde een tijdlang in Breitners atelier, rond de tijd dat dit schilderij gemaakt werd. De moderniteit en bijzondere aantrekkingskracht van dit portret liggen in het frontale aanzicht van de geportretteerde, het opvallend lage perspectief en de keuze om het beeld direct af te snijden waar de bovenkant van Erens' hoofd eindigt. Erens en Breitner maakten deel uit van een hechte, interdisciplinaire groep in Amsterdam. Samen brachten zij een culturele verandering teweeg in Nederland gedurende de jaren 1880. Schrijvers speelden een belangrijke rol in deze beweging die later bekend werd als De Tachtigers. De schrijvers verzetten zich tegen ouderwetse en moraliserende literatuur. Ze haalden inspiratie uit kunst en literatuur uit het buitenland, met name Frankrijk. Ze ontwikkelden de Nederlandse variant van de l'art pour l'art-beweging en bepleitten kunst als een persoonlijke vorm van expressie, waarbij alleen esthetiek als leidraad diende, losgekoppeld van alle mogelijke niet-artistieke doelen. William Shakespeare en naturalistische literatuur inspireerden hen. Schrijvers ontwikkelden een nieuwe stijl die beter paste bij hun inhoud. Hun schrijfstijl vertoont verwantschap met het impressionisme in de schilderkunst, met nadruk op de indruk en het moment. Ze richtten hun eigen tijdschrift op, De Nieuwe Gids, dat vernieuwend was en zeer populair onder progressieve kunstenaars.
In 1883 begon Erens' schrijverscarrière met beschouwingen en recensies, voornamelijk over hedendaagse Franse literatuur. Drie jaar later werd hij medewerker van De Nieuwe Gids. Via Charles Baudelaire raakte Erens vertrouwd met prozapoëzie. Hij was de eerste die dit literaire genre in Nederland introduceerde met een gedicht dat in 1886 in De Nieuwe Gids verscheen. Erens was ook de eerste auteur in Nederland die over Baudelaire publiceerde. Breitner schilderde Erens' portret op een cruciaal moment in zijn carrière. Het was in deze periode dat de schilder zijn artistieke doorbraak in Amsterdam beleefde. In 1886 verwierf het Rijksmuseum zijn eerste werk van een hedendaagse kunstenaar, een groot schilderij van Breitner, dat veel aandacht trok. Breitner werd een van de toonaangevende schilders in Nederland. De combinatie van een losse, schilderachtige penseelstreek, vernieuwende composities en onderwerpen uit de arbeidersklasse maakte zijn schilderijen tot noviteiten. Hij had een beslissende invloed op veel tijdgenoten, met name Isaac Israëls. Breitner wordt beschouwd als een pionier en leider van de Amsterdamse impressionisten. Breitner begon zijn opleiding als schilder in Den Haag. Daar volgde hij de academie totdat hij werd verwijderd na wangedrag. Hij werkte in de ateliers van de zeer succesvolle en internationaal gewilde kunstenaars Willem Hendrik Mesdag en Willem Maris, die zijn talent snel herkenden. Met niemand minder dan Vincent van Gogh trok hij in 1882 regelmatig de stad in om het gewone volk van Den Haag te tekenen. Ook werkte hij in 1884 enkele maanden in Parijs in het atelier van Fernand Cormon. Terug in Nederland realiseerde Breitner zich dat zijn ambitie niet was om het succes van de Haagse School voort te zetten – een groep realistische kunstenaars die werkte in de lijn van de Franse schilders van Barbizon – maar om vernieuwende kunst te maken. Hij besloot in 1886 meer lessen te volgen bij professor August Allebé aan de Rijksakademie in Amsterdam. De snelgroeiende hoofdstad was de ideale omgeving voor de jonge, getalenteerde kunstenaar. Fotografie was een opkomend medium dat veel kunstenaars interesseerde. Breitner was een enthousiast fotograaf. Hij had geen ambitie om zijn foto's als kunst te presenteren, maar gebruikte ze vooral als studies voor sommige van zijn schilderijen. Verder zijn opvallende afsnijdingen in zijn picturale composities zichtbaar beïnvloed door experimenten met dit medium. Erens' opmerking dat hij behoorlijk lang moest poseren voor dit portret maakt het onwaarschijnlijk dat Breitner de huidige compositie op een foto baseerde.
George Hendrik Breitner begon zijn artistieke opleiding aan de Haagse Academie in 1876. Onder invloed van de schilders van de Haagse School en hun nieuwe realistische benadering van de natuur ontwikkelde Breitner een moderne en impulsieve eigen stijl en werd hij al snel door collega-kunstenaars beschouwd als een buitengewoon talent. Hij werd lid van het schilderkunstige genootschap Pulchri Studio en hielp bij het schilderen van het Panorama Mesdag (1880-1881), dat nog altijd kan worden bezichtigd. Hij schilderde er onder andere de cavalerie, oefenend op het strand. In 1882 besloot hij een nieuwe weg in te slaan. In een brief schreef hij: ‘Ik zelf, Ik zal de mensch schilderen op de straat en in de huizen de straten en huizen die ze gebouwd hebben ’t leven vooral. Le peintre du peuple zal ik trachten te worden of liever ben ik al omdat ik ’t wil.’ In de jaren 1882-1883 ging hij geregeld om met Vincent van Gogh, met wie hij veel over straat liep ‘om figuren te gaan zoeken en aardige gevallen’. Ontevreden met het culturele klimaat in Den Haag en aangetrokken door de dynamische en inspirerende stad Amsterdam, verliet Breitner Den Haag en trad hij in 1886 toe tot de Amsterdamse Academie.
In datzelfde jaar richtte een groep jonge bohemien-schrijvers het literaire tijdschrift 'De Nieuwe Gids' op, waarin ze hun beschouwingen over hedendaagse kunstenaars publiceerden en het 'L'art pour l'art'-ideaal in de beeldende kunst en literatuur hartstochtelijk propageerden. Tot de groep, ook bekend als de 'Tachtigers', behoorden figuren als de schilder Willem Witsen (1860-1923), de schrijver Adriaan Roland Holst (1888-1976), de schilder Jan Veth (1864-1925), de componist Alfons Diepenbrock (1862-1921) en anderen. De Tachtigers vonden de persoonlijke indruk veel belangrijker dan de weergave van realistische details. Alle belangrijke leden waren op Amsterdam gericht, waardoor de artistieke scène veranderde van Den Haag naar Amsterdam en het impressionisme een stads- in plaats van een landschapsoriëntatie kreeg. Vandaar het Amsterdams impressionisme.
Als ambitieuze schilder van het moderne leven werd Breitner, samen met Isaac Israels (1865-1934), een van de leidende figuren van de Amsterdamse impressionistische beweging. In de ogen van zijn tijdgenoten was Breitner de kunstenaar die die elementen op het doek wist weer te geven die de aantrekkelijke elementen van de stad definieerde. Als 'Le peintre du peuple' wilde hij geen klassieke thema's schilderen of op academische wijze realistische historische schilderijen maken, maar vooral het alledaagse leven weergeven.
Breitner zwierf vaak door de straten met zijn schetsboek en camera om het dagelijks leven van bouwvakkers, arbeiders, dienstmeisjes en spelende kinderen vast te leggen. Met krachtige penseelstreken legde hij vast wat hij zag: een vluchtig moment, een fragment in de tijd. Een indruk overbrengen was schilderen op zijn puurst, het oog doet de rest. Het bruisende stadsleven zou een terugkerend onderwerp worden in zijn oeuvre. Na 1914 schilderde hij minder en ook fotograferen deed hij nauwelijks meer. Hij overleed op 5 juni 1923 achter zijn ezel, met palet en kwast in de hand.