K. (KAREL) APPEL 1921 Amsterdam (Nederland) - 2006 Zürich (Zwitserland) Blues in the Night

Olieverf / Doek: 80 x 64,5 cm


Beschikbaar, prijs op aanvraag
  • Dit object kan bekeken worden in onze gallery
  • Bel ons voor meer informatie: +31 26 361 1876
  • Wereldwijde verzending mogelijk

Details

Blues in the Night is een iconische Appel. Hij maakte het werk in zijn beste jaren, nadat hij de Cobra-experimenten in een rijpe stijl had verwerkt, zonder de verworven vrijheid van die jaren ooit op te geven. De drang naar het spontane, ongerepte en instinctieve spreekt ook uit dit schilderij. Uit de diepblauwe nacht doemt een maskerachtig hoofd op, opgebouwd uit dikke verfstreken en agressieve contouren in felle kleuren. Het gezicht is half mens, half schedel, tegelijk lichaam en droombeeld. De ogen staan wijd open, de mond is een donkere, blauwe grimas. Links gloeit een oranje vlak als een laatste rest licht, rechts vlamt een groot rood vlak op als een luisterend oor. Alles is in beweging. De verf lijkt niet gewoon aangebracht, maar gesmeerd, geschraapt en geboetseerd. Dit kan niet anders dan een Appel zijn.

De werkwijze van Appel had veel overeenkomsten met die van een jazzmuzikant: improvisatie binnen een vaste structuur, spontaniteit, maar stevig in de hand gehouden. Ook de titel van het schilderij verwijst naar jazz. Blues in the Night is een beroemde Amerikaanse jazzstandaard, geschreven door Harold Arlen en Johnny Mercer voor de gelijknamige film uit 1941. Het lied is melancholiek en doortrokken van verlangen en wantrouwen. De beroemde openingsregel, waarin een moeder haar kind waarschuwt voor de onbetrouwbaarheid van een man, zet meteen de toon. Het gaat over teleurstelling in de liefde, eenzaamheid en de rusteloosheid van de nacht. Maar Appel heeft geen song geïllustreerd. Hij vertaalde eerder het gevoel van jazz naar verf: de vrije uithalen, de onverwachte accenten, het botsen van ritme en emotie. De blauwe achtergrond is een donker akkoord waartegen rood, oranje, wit en zwart fel oplichten.

Jazz betekende veel voor Appel. Vooral na zijn eerste bezoek aan New York in 1957 werd die betekenis groter. New York opende voor hem een nieuwe wereld. De stad was rauw, snel, luid en vrij. Daar ontmoette hij niet alleen de schilders van de New York School, maar ook jazzmusici als Dizzy Gillespie, Sarah Vaughan, Count Basie en Miles Davis, die hij ook portretteerde. Vanaf dat moment bracht hij een groot deel van zijn tijd in New York door.

Voor Appel was jazzmuziek verwant aan schilderen. Niet omdat jazz toevallig modern was, maar omdat jazz, net als zijn schilderkunst, draaide om vrijheid binnen vorm. Een goede jazzmusicus improviseert, maar speelt niet zomaar wat. Hij kent zijn instrument, het ritme en de mogelijkheden. Zo werkte Appel ook. Zijn beroemde uitspraak “Ik rotzooi maar wat aan” werd vaak letterlijk genomen, maar was misleidend. Appel wilde de indruk wekken van pure ontlading, van een schilder die de verf tegen het doek smeet. In werkelijkheid hield hij zijn spontaniteit binnen strakke kaders, als een improviserende jazzmuzikant. Hij keek lang, mengde kleuren zorgvuldig, draaide soms het doek om en zocht net zo lang tot het beeld klopte. Appel begon zonder vooropgezet plan, maar ontwikkelde al werkend een steeds duidelijker structuur, waardoor uit de schijnbare chaos een expressief beeld ontstond.

In Blues in the Night klinkt het diepe blauw als een baslijn. De oranje en rode partijen schetteren als koperblazers. De zwarte lijnen geven ritme, de witte accenten zorgen voor lucht en tegenstem. Het schilderij heeft geen rustig centrum; het beweegt, schuurt en pulseert. De kop die uit het blauw naar voren komt, lijkt niet alleen zichtbaar, maar ook hoorbaar. Alsof de verf een schreeuw, een lach, een klaagzang of een geïmproviseerde solo is geworden. Hier ligt de kracht van dit schilderij. Het is een nachtelijk beeld, geladen met energie en melancholie. Appel schilderde hier de blues niet als verdriet alleen, maar als levenskracht: donker en fel tegelijk, rauw en vitaal, ontregeld en toch volkomen overtuigend. Dit werk toont Appels status als een van de belangrijkste naoorlogse kunstenaars van Europa. Hij transformeerde verf tot een gebeurtenis, die in dit geval bijna muziek wordt.

Artiest
K. (KAREL) APPEL1921 Amsterdam (Nederland) - 2006 Zürich (Zwitserland)

Titel
Blues in the Night

Materiaal & Techniek
Olieverf / Doek

Afmetingen
Hoogte: 80 cm

Breedte: 64,5 cm

Signatuur
Rechtsonder gesigneerd "Appel"

Provenance
Particuliere collectie Denemarken

American Art Gallery, Kopenhagen

Sotheby’s, Londen, 23 october 1997, lot 26

Kunsthandel Frans Jacobs, Amsterdam

Particuliere collectie Nederland (verworven via bovenstaande in 1998)

Particuliere collectie Nederland (door vererving verworven via bovenstaande)

Tentoonstellingen
Gothenburg, Konsthallen Göteburg, Karel Appel, Wessel Couzijn, 6 - 21 februari 1965, no.24

Datering
1964

Categorie
Schilderijen

Over K. (KAREL) APPEL

Karel Appel werd in Amsterdam geboren in de volksbuurt in de Dapperstraat, als zoon van een muzikale moeder en een kapper. Van hem werd verwacht dat hij zich net als zijn vader ook op het kappersvak zou storten, maar hij noemde zichzelf ‘haarverfspecialist’; het is duidelijk waar zijn passie lag. Hij trok graag samen met de broer van zijn moeder de natuur in om impressionistische landschappen te schilderen, naar aanleiding van de schilderkist die hij cadeau kreeg van dezelfde oom op zijn veertiende. Hij had enkele jaren bij zijn vader in de zaak gewerkt, maar koos sterk tegen de wens van zijn ouders voor het schilderen en werd daarom vlak voor de oorlog door hen op straat gezet. Hij meldde zich in 1940 aan op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, waar hij een paar jaar studeerde. Daar leerde hij Constant en Corneille kennen en dat leidde in 1948 tot de oprichting van de Nederlandse Experimentele Groep en even later CoBrA. De Cobra groep was van 1948 tot 1951 een avant-gardebeweging van kunstenaars uit Denemarken, België en Nederland. De naam was ontleend aan de hoofdsteden waar de oprichters vandaan kwamen: Kopenhagen, Brussel en Amsterdam. In Amsterdam vonden Anton Rooskens, Jan Nieuwenhuys, Constant Nieuwenhuys, Eugène Brands, Lucebert en Theo Wolvecamp elkaar en sloten zich kort daarop aan bij CoBrA. Door zijn persoonlijkheid, zijn gedurfde materiaalgebruik en zijn afwijzing van intellectuele theorieën had hij een sterke invloed op de andere Nederlandse CoBrA-kunstenaars. Karel Appel staat bekend om een aantal uitspraken, die vaak veel te letterlijk worden genomen. ‘Ik rotzooi maar wat aan’, bijvoorbeeld was als koren op de molen van de toenmalige pers en het publiek die niets in zijn kunstuitingen zagen. Er was zeker een grote groep die hem juist adoreerde om zijn levendige werk. Intuïtie bepaalde al zijn keuzes in het leven en hij vertrok samen met Corneille naar Parijs, weg uit het bekrompen klimaat in Nederland. Hij werd een gevierd kunstenaar met als thuisbasis Frankrijk. Zijn internationale bekendheid begon bij de Biënnale van Sao Paulo in 1953. Vanaf 1990 had hij ateliers in New York, Connecticut, Monaco en Toscane. Karel Appel was een zeer flamboyante persoonlijkheid: zijn belangstelling voor "l'art brut", stilistische experimenten en zijn persoonlijke -soms bijna abstracte- interpretaties van traditionele genres zoals een naakten, portretten en landschappen zijn buitengewoon. Hij experimenteerde met instinctief ‘beeldhouwen’ met verf, dichtkunst, assemblage en beeldhouwkunst. Zijn leven leest als een wandeling door de moderne kunst van de twintigste eeuw. Hij overleed in 2006 in Zwitserland en werd begraven op de Parijse begraafplaats Père Lachaise.