J.C.B. (JAN) SLUIJTERS 1881 's-Hertogenbosch - 1957 Amsterdam Affiche tentoonstelling Jan Sluijters, Stedelijk Museum Amsterdam

Olieverf/potlood/papier: 33 x 21,5 cm


Beschikbaar, prijs op aanvraag
  • Dit object kan bekeken worden in onze gallery
  • Bel ons voor meer informatie: +31 26 361 1876
  • Wereldwijde verzending mogelijk

Details

Op 17 december 1951 werd Jan Sluijters zeventig jaar. Op deze dag opende in het Stedelijk Museum in Amsterdam een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk. Deze eretentoonstelling kreeg enorm veel aandacht in de pers en bevestigde Sluijters’ positie als de grootste van de levende Nederlandse kunstenaars. “Een reus onder de meesters”, kopte de Volkskrant. “Een voorbeeld voor de jongeren”, zei de burgemeester van Amsterdam.

Op de tentoonstelling, die later ook in Eindhoven te zien was, zag heel Nederland een samenvatting van een grote carrière. Sluijters was de beroemdste levende kunstenaar van Nederland en de belangrijkste portretschilder. Hij was begonnen als groot vernieuwer, die met zijn experimenten de kunst in Nederland een nieuwe weg had gewezen. Hij had niet, zoals Mondriaan, gekozen voor de abstracte kunst als consequentie van zijn experimenten, maar was uitgekomen bij een gematigd expressionistische stijl die onmiddellijk herkenbaar is. Zijn werk was te zien op grote solotentoonstellingen in belangrijke musea; hij ontving prijzen en erepenningen en vertegenwoordigde het land op internationale exposities. Ter gelegenheid van zijn eretentoonstelling vatte hij zijn kunstenaarschap zelf, met valse bescheidenheid, als volgt samen: “Mijn ontwikkelingsgang als kunstenaar, van geboorte tot heden, biedt zo weinig verrassende en emotionele gebeurtenissen, dat het voor velen, die een kunstenaar als een heel apart wezen zien, wel een teleurstelling moet zijn het zeer beknopte verhaal te vernemen van een doodgewoon normaal mens die nu eenmaal voor schilder in de wieg was gelegd.”

Wie aan Jan Sluijters denkt, denkt meteen aan zijn sensuele naakten, omringd door bonte stoffen en vaak vergezeld van weelderige boeketten. Sluijters schilderde in zijn lange carrière allerlei onderwerpen: landschappen, stillevens, bloemstukken en portretten. Toch is hij bij een groot publiek vooral bekend geworden als schilder van vrouwen, gekleed of naakt. Op zijn eretentoonstelling was het meest opvallende schilderij het grote doek La joie de peindre (De vreugde van het schilderen), waarop tegen een felgekleurde achtergrond een weelderig naakt zich uitstrekt op een divan, met naast haar een enorm boeket bloemen en een stilleven op de voorgrond. De tentoonstelling ontleende er zelfs haar officieuze titel aan. Dit doek vatte samen waar het bij Sluijters om gaat: puur visueel plezier. Het plezier in het schilderen spat van elk doek af dat Sluijters in zijn lange carrière heeft geschilderd.

Toen Jan Sluijters zelf het affiche voor zijn tentoonstelling ontwierp, lag het onderwerp dus voor de hand: een naakte vrouw. Felle kleuren en zwierige vormen kenmerkten telkens de affiches die Sluijters maakte, en het vrouwelijk naakt vormt ook hier weer de centrale aandacht. Hij ontleende het ontwerp aan het schilderij Zittend naakt met spiegelbeeld uit ca. 1935. Met behulp van een ruitjespatroon zette hij de voorstelling over op het ontwerp. De kleuren werden aangepast om een ontwerp te creëren dat de aandacht zou trekken. Het uiteindelijke affiche werd in verschillende kleuren gedrukt, waarbij steeds de kleur van de vrouw en haar spiegelbeeld contrasteren. Zo is er een versie met een oranje naakt en een groen spiegelbeeld, en een met een roze tegenover een gele vrouw.

Juist in deze naoorlogse jaren heerste er opnieuw een revolutionaire stemming in de Nederlandse kunst, net als aan het begin van de eeuw toen Jan Sluijters zelf de kunstwereld op zijn kop had gezet. Hij steunde de experimenten van Cobra van harte, maar waarschuwde tegen “het verwaarlozen van het metier”. “We kunnen niet doen alsof er tussen de primitieven en onze tijd niets meer is geweest.” Zelf had hij altijd vastgehouden aan de realiteit. “De veel geroemde fantasie bestaat in wezen niet. Men kan geen kleur of vorm maken die nog niet bestaat”, zei hij in een interview ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag.

Na zijn dood op 8 mei 1957 werd hij met veel eerbetoon vanuit het Stedelijk Museum, waar hij lag opgebaard, op Zorgvlied begraven.

Artiest
J.C.B. (JAN) SLUIJTERS1881 's-Hertogenbosch - 1957 Amsterdam

Titel
Affiche tentoonstelling Jan Sluijters, Stedelijk Museum Amsterdam

Materiaal & Techniek
Olieverf/potlood/papier

Afmetingen
Hoogte: 33 cm

Breedte: 21,5 cm

Signatuur
Middenboven gesigneerd "Jan Sluijters'

Provenance
Particuliere collectie Nederland

Literatuur
Please note that the present drawing is a study for an exhibition poster of the Stedelijk Museum in Amsterdam, in: Mieke van der Wal, ‘Jan Sluijters, Vrouwen', Zwolle 2002

The artwork is included in the digital "Catalogue Raisonné" by the 'Netherlands Institute for Art History (RKD)', The Hague

Permalink: https://rkd.nl/images/113159

Datering
1951

Categorie
Werken op papier

Over J.C.B. (JAN) SLUIJTERS

Jan Sluijters behoort tot de belangrijkste Hollandse schilders uit de eerste helft van de 20ste eeuw. In 1904 won hij de Prix de Rome. De moderne Franse schilderkunst leerde Sluijters in 1906/1907 in Parijs kennen en was van beslissende invloed op zijn werk. Hier kreeg hij contact met nieuwe stromingen in de kunst zoals het Fauvisme (Matisse, De Vlaminck, Roualt, Van Dongen) en het luminisme (Seurat, Signac). In de jaren 1906 - 1916 verwierf hij erkenning als één van de grote vernieuwers van de Nederlandse schilderkunst. In de periode dat Sluijters een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het Nederlandse luminisme was, met name in de jaren 1907-1911, keerde het onderwerp bos, bomen, lanen en zandwegen regelmatig terug in zijn werk; meer dan 15 keer werd deze thematiek - voorzover bekend - afzonderlijk, dan wel in combinatie door hem behandeld. De bosgezichten uit 1907 en 1908 roepen herinneringen op aan de composities en het kleurgebruik van Vincent van Gogh (1853-1890). De topografie, het perspectief en de nog precieze weergave van bomen en gebladerte domineren de composities uit deze jaren. Door privé-omstandigheden, vertrok Sluijters met zijn vriendin Greet van Cooten naar het Brabantse Heeze. Aldaar schilderde hij een aantal uitbundige bosgezichten, boomgaarden en boerderijen. Kleurcontrasten, divisionistische korte verfstreken in horizontale en verticale vorm naast de langere lijnen van de boomstammen kenmerken het handschrift. Beïnvloeding, keuze voor dezelfde onderwerpen en samenwerking tussen Piet Mondriaan (1872-1944), Leo Gestel (1881-1941) en Sluijters is door vele auteurs aan de orde gesteld. Ook in dit geval geven de natuurstudies van bomen in niet-realistische kleuren, die een expressie van de beleving van de natuur tot uitdrukking moeten brengen, niet alleen overeenkomsten, maar tevens verschillen tussen de drie kunstenaars te zien. In 1908 schilderde Mondriaan zijn beroemde en monumentale "Bos bij Oele" (collectie Haags Gemeente-museum), waarin in het bijzonder het accent gelegd wordt op horizontale en verticale lijnen in gele en blauwviolette kleurcontrasten. Dit schilderij, voor het eerst tentoongesteld in januari 1909 op een gemeenschappelijke expositie van Kees Spoor (1867-1928), Sluijters en Mondriaan in het Stedelijk Museum te Amsterdam, moet op Sluijters grote indruk hebben gemaakt. De wijze waarop de bomen in het "Boschlaantje" uit 1910 vorm en kleur gegeven zijn, getuigt van deze beïnvloeding, maar tevens van het grotere accent dat Sluijters legde op het bontere kleurengamma: blauw, violet, geel, rood, zwart en vele groenvarianten. Het perspectief speelde steeds minder een rol in de bosgezichten van 1910 en 1911; in het "Boschlaantje" slechts aangegeven door de locatie van de bomen en de korte verfstreken van de weg. Zoals in het "Bos bij Oele" reiken de bomen en de kruinen tot in de hemel en besluiten aan de bovenzijde het schilderij. Horizon en gebladerte lopen vloeiend in elkaar over. De schilderijen die Sluijters in 1910 maakte, behoren tot de fraaiste werken uit zijn luministische periode. Zo ook het "Boschlaantje", waarin op bijna abstracte wijze het spel van korte en lange lijnen, brede en smalle kleurvlakken zich voltrekt. Toch blijft Sluijters door de bomen het bos zien; de compositie blijft herkenbaar. Het ging Sluijters niet om "het zoeken naar effect, om met kleuren te patsen", zoals hij zijn schildersvriend Kees Spoor in 1910 toevertrouwde, maar om "een heviger voelen van superioriteit van geest, die ontroerd wordt door de dingen die boven het gewoon optisch waarneembare staan" in verf uit te drukken. In de loop van 1911, samenvallend met zijn vertrek uit Laren, brak Sluijters met het luminisme en sloeg hij een andere artistieke weg in.