Meisje in blauw jurkje in Bois de Boulogne Meisje in blauw jurkje in Bois de Boulogne

I.L. (ISAAC) ISRAELS 1865 Amsterdam - 1934 Den Haag Meisje in blauw jurkje in Bois de Boulogne

Olieverf / Doek: 33 x 46 cm


Beschikbaar, prijs op aanvraag
  • Dit object kan bekeken worden in onze gallery
  • Bel ons voor meer informatie: +31 26 361 1876
  • Wereldwijde verzending mogelijk

Details

Het Bois de Boulogne is al sinds de 19de eeuw de plek om te ontsnappen aan de drukte van de stad, om te flaneren, te kijken en bekeken te worden. Dit levendige stadspark vormde het decor van een reeks schilderijen van Isaac Israels, voor wie Parijs zijn tweede thuis was. Op ons schilderij zien we twee elegant geklede vrouwen en een klein hondje op een bankje in het park. Naast hen staat een meisje met een springtouw losjes in de hand. Ze lijkt door de schilder in haar gesprek met de dames te zijn gestoord. Zij vormt de spil van het schilderij: als enige figuur is haar gezicht scherp weergegeven. Ook de opvallende kleur van haar jurkje en bijpassende hoed maken haar tot stralend middelpunt. Het meisje kijkt ons direct aan en betrekt de toeschouwer in het moment dat Israels hier heeft gevangen. De figuren op de achtergrond zijn minder gedetailleerd uitgewerkt. Ook de gezichten van de twee dames zijn slechts schetsmatig weergegeven.

Isaac Israels had zich in 1904 in Parijs gevestigd. Hij ging ernaartoe om zich verder in de modewereld te verdiepen. Hij had een introductie bij het grote modehuis van Jeanne Paquin om daar te schilderen. In Amsterdam had hij zich ook al met dit onderwerp beziggehouden, bij het modehuis Hirsch aan het Leidseplein. Bij Paquin schilderde hij de mannequins, de ‘essayeuses’, die de nieuwste creaties op verzoek van de klanten showden in aparte paskamers, en de naaisters die de kleding maakten in grote ateliers. Zowel de eenvoudige naaistertjes als de chique Parisiennes met hun grote hoeden interesseerden hem en hij schilderde hen ook op straat, op balkons en in het park. Via het modehuis kwam hij in contact met de theaterwereld van Parijs. Het uitgaansleven van Montmartre, vlak bij zijn atelier aan de Boulevard de Clichy, boeide hem echter nog meer en zou een eindeloze bron van inspiratie blijven, net als voor veel van zijn tijdgenoten, zoals Kees van Dongen, Jan Sluijters en Pablo Picasso. Ook het Bois de Boulogne bleef een geliefde plek om het mondaine Parijs te observeren.

Toen Isaac Israels nog in Nederland woonde, was de waardering voor zijn werk bij het publiek en de critici nog heel laag geweest. Zelfs in 1906 nog weigerde het Stedelijk Museum in Amsterdam een bruikleen van een schilderij van Israels. De omslag kwam toen hij aan het eind van zijn eerste jaar in Parijs zijn werk tentoonstelde in Den Haag. De reacties waren onverdeeld enthousiast. De Parijse impressies gingen als warme broodjes over de toonbank en kregen lovende kritieken. De recensent van NRC ontdekte in de Bois de Boulogne-schilderijen “een opwekkende kracht” en prees de dunne, vlotte penseelstreek. De invloedrijke kunstpedagoog H.P. Bremmer schreef in de catalogus van de tentoonstelling: “Steeds meer verfijnt zich zijn waarneming, scherper wordt zijn blik en subtieler zijn analyse...”. Het Algemeen Handelsblad prees zijn vermogen het wezen der dingen weer te geven: “Hij geeft (...) in elke Parijse demi-mondaine iets van de demi-mondaine, iets van datgene, dat die vrouwen, door haar leven, allen gemeen hebben”. Ook in de jaren daarna kreeg het Nederlandse publiek geen genoeg van Isaacs Parijse midinettes, cafés, danszalen, straattaferelen, cafébezoekers en wandelaars in het Bois de Boulogne. Een criticus vergeleek hem met een “photograaf, zooals-ie z’n figuren in ’n momenteelen stand betrapt, met dit verschil, dat hij de imprèssie van ’n oogenblik geeft”.

Ons schilderij is een prachtig voorbeeld van Israels’ volwassen schilderstijl, die hij ontwikkelde in zijn Parijse jaren. Tegen een Franse vriend zei Isaac eens: “Je peins pour m’amuser”, ik schilder om me te vermaken. De vreugde spat ook hier van het doek. De dynamiek, kleuren en het bruisende leven van het kosmopolitische Parijs bezorgden Isaac Israels plezier en een creatieve energie die zijn werk transformeerde. En dat plezier is hier duidelijk te merken.

Artiest
I.L. (ISAAC) ISRAELS1865 Amsterdam - 1934 Den Haag

Titel
Meisje in blauw jurkje in Bois de Boulogne

Materiaal & Techniek
Olieverf / Doek

Afmetingen
Hoogte: 33 cm

Breedte: 46 cm

Signatuur
Rechtsonder gesigneerd "Isaac Israels"

Provenance
Particuliere collectie Nederland

Kunstgalerij Albricht B.V., Velp, 1995

Datering
1903 - 1913

Categorie
Schilderijen

Over I.L. (ISAAC) ISRAELS

Isaac Israels was de enige zoon van de schilder Jozef Israels. Het gezin verhuisde in 1871 van Amsterdam naar Den Haag. Isaac kreeg daar ook zijn opleiding aan de academie tegelijk met o.a. George Breitner, Floris Verster en Marius Bauer. Hij was van jongs af aan een veelbelovend kunstenaar en won al vroeg prijzen voor zijn schilderijen. In de jaren ’80 specialiseerde Isaac zich in militaire onderwerpen, een belangstelling die hij deelde met Breitner en Verster. Ondanks deze veelbelovende start vond hij dat zijn opleiding nog niet was voltooid en ging naar Amsterdam, waar hij opgenomen werd in de kring der Tachtigers. Het woelige stadleven werd de rode draad door zijn werk. Tussen 1887 en 1894 is het stil rondom hem: weinig schilderijen zijn uit deze periode bekend. Vanaf het midden van de jaren ‘90 ging Israels ‘s zomers terug naar Den Haag waar hij samen met zijn vader aan het strand ging schilderen. Zij huurden dan een villa in Scheveningen. Isaacs in Amsterdam ontwikkelde impressionistische stijl bleek bij uitstek geschikt om het vrolijke strandleven met luchtige, lichte toets vast te leggen. Zijn schilderijen van ezeltje rijdende kinderen waren publiekslievelingen en zijn nog altijd bijzonder geliefd. Israels grapte dat de verkoop van een schilderij “de Hoogste der kunsten” was. Zijn ezeltje-rijdende kinderen werden gretig gekocht voor hoge prijzen, en kunnen alleen al om die reden als hoogtepunten in zijn oeuvre worden beschouwd. Isaac Israels was niet alleen de virtuoze schilder van het moderne (stads)leven, hij was ook een bijzonder begaafd portrettist. Vooral in de laatste fase van zijn leven maakte hij in opdracht portretten van belangrijke Nederlanders. Ook in dit genre bleven vrouwen zijn favoriete onderwerp. Zijn hele leven had hij het liefst dienstmeisjes, Amsterdamse straatmeiden, telefonistes, mannequins in warenhuizen en naaktmodellen getekend en geschilderd. Ook zijn vrouwenportretten vormen hoogtepunten in zijn oeuvre, zoals van de spionne Mata Hari, de eerste vrouwelijke arts Aletta Jacobs en de actrice Fie Carelsen. Isaac Israels was gewend een snelle karakteristiek te geven van zijn modellen. Een rake typering moest in één keer op het doek verschijnen. Zijn beste schilderijen zijn dan ook levendig, spontaan en precies goed getroffen. ‘Ik heb laatst toen ik uit mijn raam keek een aanval van patriotisme gehad tot mijn verbazing. Het hollandsche is toch naar mijn idee het mooiste wat er bestaat.’ schreef Isaac Israels op weg naar Londen vanuit Hamburg aan de schilder Willem Witsen. Dat belette hem niet om rusteloos het continent op en neer te reizen. Israels reisde altijd al graag. Als kind al ging hij jaarlijks met zijn ouders naar Parijs. Hij maakte reizen naar Italië, Spanje en Noord-Afrika, Zwitserland, Spanje en Scandinavië om te tekenen en te schilderen. In de jaren ‘20 bracht hij zelfs enige tijd door in Nederlands-Indië. Vanaf 1903 had Israels een eigen atelier in Parijs, waar hij zijn favoriete onderwerpen vond onder modieuze Parijzenaren en zich kon onderdompelen in de moderne kunst die daar te zien was. In de lente van 1913 verruilde hij die stad voor Londen, waar hij een tijd een eigen studio had. Ondanks alle reizen en alle indrukken bleef Israels altijd zichzelf. Hij was in Parijs een buurman van Picasso, ging de stad in met Kees van Dongen, bewonderde de symbolist Odilon Redon en had een tijd een van de Zonnebloemen van Vincent van Gogh aan de muur. Door al die moderne indrukken liet hij zich echter niet meer van zijn moeizaam ontwikkelde pad afbrengen. Na zijn Amsterdamse jaren werd zijn palet wat lichter en zijn onderwerpen mondainer, maar hij bleef tot zijn dood vasthouden aan zijn virtuoze impressionistische stijl. In 1923 vestigde hij zich definitief op de Haagse Koninginnegracht, waar hij het atelier van zijn vader tot lang na diens dood leeg had laten staan.