Oppasser van de Haagsche Dierentuin Oppasser van de Haagsche Dierentuin

I.L. (ISAAC) ISRAELS 1865 Amsterdam - 1934 Den Haag Oppasser van de Haagsche Dierentuin

Olieverf / Doek: 125 x 75 cm


Beschikbaar, prijs op aanvraag
  • Dit object kan bekeken worden in onze gallery
  • Bel ons voor meer informatie: +31 26 361 1876
  • Wereldwijde verzending mogelijk

Details

De virtuoze impressionist Isaac Israels zocht zijn onderwerpen overal. Steeds ging hij op zoek naar momenten waarvan hij een snelle karakteristiek kon geven. In tegenstelling tot de Franse impressionisten ging het hem niet om het effect van licht en atmosfeer, maar om het vangen van een impressie van het volle leven. Hij had lange tijd een atelier in Parijs, woonde een tijd in Londen en reisde naar Italië, Spanje en Noord Afrika, Zwitserland, Spanje en Scandinavië en later zelfs naar Nederlands-Indië. Toen hij in 1916 in het huis in Den Haag trok waarin hij was opgegroeid, vond hij zijn onderwerp aan de overkant van de straat. Het was een onderwerp dat hij zich herinnerde uit zijn jeugd, toen de Duitse impressionist Max Liebermann, een vriend van de familie, een oppasser met papegaaien schilderde in de Amsterdamse dierentuin Artis.

In 1862 had ook Den Haag een eigen dierentuin gekregen, na Amsterdam en Rotterdam. De Haagse Dierentuin was gevestigd aan de overkant van de Koninginnegracht, tegenover het huis van Isaacs vader Jozef Israels. Toen hij later, lang na de dood van zijn vader, in zijn ouderlijk huis was gaan wonen en werkte in het atelier van zijn vader, was hij vaak in de dierentuin te vinden. De tuin werd een plek van vertier voor alle milieus, zeldzaam in de 19de-eeuwse standenmaatschappij. Zowel voor de middenklasse als de hogere standen was een dagje dierentuin een populair uitje waarvoor men zich op z’n zondags kleedde. Bij de ingang begon de papegaaienlaan, waar de vogels de bezoekers welkom heetten met een Haags accent. De oppasser, de heer Ponsen, maakte er een show van als hij zijn papegaaien aan het eind van de dag terugbracht naar hun kooi. De zonovergoten laan was een ideaal onderwerp voor Israels, de oppasser met al zijn verschillende vogels een feest van kleur. Met slechts enkele effectieve penseelstreken suggereerde hij op virtuoze wijze het geflapper van de kleurige vleugels en staart van de roodblauwe ara. De schilder Simon Maris schreef er over: “’t is of de beesten je doof schreeuwen. Israels wordt met den dag jonger.” Israels maakte verschillende versies van dit schilderij.

Hoewel zijn vader al in 1911 was overleden, verhuisde Isaac pas in 1916 definitief naar zijn ouderlijk huis in Den Haag. Hij werkte eerst nog in zijn eigen oude atelier op de begane grond, maar besloot toen het atelier van zijn vader te gaan gebruiken, achter het huis op de bovenverdieping. Hij verwijderde de oud-Hollandse inrichting en de donkere lambrisering, schilderde alles wit en zorgde dat er zoveel mogelijk licht naar binnen viel. In dit atelier, waar hij als jongen het schildersvak had geleerd voordat hij in 1886 naar Amsterdam ging, begon een nieuwe, bijzonder vruchtbare periode in zijn carrière. Hier maakte hij sommige van zijn beste werken. Zijn oude atelier beneden werd later nog vaak gebruikt door zijn Amsterdamse schildersvrienden, als zij in Den Haag moesten zijn.

Artiest
I.L. (ISAAC) ISRAELS1865 Amsterdam - 1934 Den Haag

Titel
Oppasser van de Haagsche Dierentuin

Materiaal & Techniek
Olieverf / Doek

Afmetingen
Hoogte: 125 cm

Breedte: 75 cm

Signatuur
Linksonder gesigneerd "Isaac Israels"

Provenance
Kunsthandel Huick en Scherjon, Utrecht, 1923

Collectie mevrouw G.J. Rozendaal - Van der Linden, Bilthoven

Kunsthandel P. van Voorst van Beest, 's-Gravenhage, - 1989

Particuliere collectie Nederland

Tentoonstellingen
'Isaac Israels', Singer Museum, Laren, 1965 - no. 65, pic. 32

'Isaac Israels', Gemeentemuseum, 's-Gravenhage, 1959

'Isaac Israels', Kunsthandel Huinck en Scherjon, Utrecht, 1923

Literatuur
Anna Wagner, "Isaac Israels. Een kleine biografie", 1959, Den Haag, 14e jaargang, no. 1, no. 23 (afb.)

Anna Wagner, "Isaac Israels. De schilder", 1965, Laren, no. 38, cat.no. 65 (afb.)

Anna Wagner, "Isaac Israels", 1967, Rotterdam, p. 43, no. KL (afb.)

Vgl. A. Wagner, "Isaac Israels", 1985, Amsterdam, p. 114, nr. 142

Vgl. Kunsthal Rotterdam, "Isaac Israels. Hollands impressionist", 1999, Rotterdam, p. 75, nr. 102

Kunstwerk is opgenomen in de digitale "Catalogue Raisonné" door het 'Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD)' te 's-Gravenhage

Permalink: https://rkd.nl/explore/images/110136

Datering
1917

Categorie
Schilderijen

Over I.L. (ISAAC) ISRAELS

Isaac Israels was de enige zoon van de schilder Jozef Israels. Het gezin verhuisde in 1871 van Amsterdam naar Den Haag. Isaac kreeg daar ook zijn opleiding aan de academie tegelijk met o.a. George Breitner, Floris Verster en Marius Bauer. Hij was van jongs af aan een veelbelovend kunstenaar en won al vroeg prijzen voor zijn schilderijen. In de jaren ’80 specialiseerde Isaac zich in militaire onderwerpen, een belangstelling die hij deelde met Breitner en Verster. Ondanks deze veelbelovende start vond hij dat zijn opleiding nog niet was voltooid en ging naar Amsterdam, waar hij opgenomen werd in de kring der Tachtigers. Het woelige stadleven werd de rode draad door zijn werk. Tussen 1887 en 1894 is het stil rondom hem: weinig schilderijen zijn uit deze periode bekend. Vanaf het midden van de jaren ‘90 ging Israels ‘s zomers terug naar Den Haag waar hij samen met zijn vader aan het strand ging schilderen. Zij huurden dan een villa in Scheveningen. Isaacs in Amsterdam ontwikkelde impressionistische stijl bleek bij uitstek geschikt om het vrolijke strandleven met luchtige, lichte toets vast te leggen. Zijn schilderijen van ezeltje rijdende kinderen waren publiekslievelingen en zijn nog altijd bijzonder geliefd. Israels grapte dat de verkoop van een schilderij “de Hoogste der kunsten” was. Zijn ezeltje-rijdende kinderen werden gretig gekocht voor hoge prijzen, en kunnen alleen al om die reden als hoogtepunten in zijn oeuvre worden beschouwd. Isaac Israels was niet alleen de virtuoze schilder van het moderne (stads)leven, hij was ook een bijzonder begaafd portrettist. Vooral in de laatste fase van zijn leven maakte hij in opdracht portretten van belangrijke Nederlanders. Ook in dit genre bleven vrouwen zijn favoriete onderwerp. Zijn hele leven had hij het liefst dienstmeisjes, Amsterdamse straatmeiden, telefonistes, mannequins in warenhuizen en naaktmodellen getekend en geschilderd. Ook zijn vrouwenportretten vormen hoogtepunten in zijn oeuvre, zoals van de spionne Mata Hari, de eerste vrouwelijke arts Aletta Jacobs en de actrice Fie Carelsen. Isaac Israels was gewend een snelle karakteristiek te geven van zijn modellen. Een rake typering moest in één keer op het doek verschijnen. Zijn beste schilderijen zijn dan ook levendig, spontaan en precies goed getroffen. ‘Ik heb laatst toen ik uit mijn raam keek een aanval van patriotisme gehad tot mijn verbazing. Het hollandsche is toch naar mijn idee het mooiste wat er bestaat.’ schreef Isaac Israels op weg naar Londen vanuit Hamburg aan de schilder Willem Witsen. Dat belette hem niet om rusteloos het continent op en neer te reizen. Israels reisde altijd al graag. Als kind al ging hij jaarlijks met zijn ouders naar Parijs. Hij maakte reizen naar Italië, Spanje en Noord-Afrika, Zwitserland, Spanje en Scandinavië om te tekenen en te schilderen. In de jaren ‘20 bracht hij zelfs enige tijd door in Nederlands-Indië. Vanaf 1903 had Israels een eigen atelier in Parijs, waar hij zijn favoriete onderwerpen vond onder modieuze Parijzenaren en zich kon onderdompelen in de moderne kunst die daar te zien was. In de lente van 1913 verruilde hij die stad voor Londen, waar hij een tijd een eigen studio had. Ondanks alle reizen en alle indrukken bleef Israels altijd zichzelf. Hij was in Parijs een buurman van Picasso, ging de stad in met Kees van Dongen, bewonderde de symbolist Odilon Redon en had een tijd een van de Zonnebloemen van Vincent van Gogh aan de muur. Door al die moderne indrukken liet hij zich echter niet meer van zijn moeizaam ontwikkelde pad afbrengen. Na zijn Amsterdamse jaren werd zijn palet wat lichter en zijn onderwerpen mondainer, maar hij bleef tot zijn dood vasthouden aan zijn virtuoze impressionistische stijl. In 1923 vestigde hij zich definitief op de Haagse Koninginnegracht, waar hij het atelier van zijn vader tot lang na diens dood leeg had laten staan.