Aquarel/gouache/papier/board: 33,5 x 49,5 cm
In deze aantrekkelijke aquarel vangt Isaac Israels een zomers ogenblik aan zee met de losse, vluchtige toets die zijn beste werk kenmerkt. Het gezichtspunt is ruim en licht verhoogd. Het lijkt erop dat Israels het strandgezicht gezien heeft door een raam van het Kurhaus. Links strekt de pier zich uit in zee, met aan het uiteinde het paviljoen als markant silhouet tegen de blauwe horizon. Daaronder ligt de boulevard in brede, transparante penseelstreken, hier nog vrijwel leeg op twee figuurtjes en een lantaarnpaal na. Op het strand zelf is het juist enorm druk: figuren, strandtenten met een auto ervoor, parasols en strandkorven lossen bijna op in de atmosfeer. De badgasten zijn met enkele rake toetsen neergezet: een donkere vlek wordt een auto, een lichte verfstreek een wandelaar, een warm oranje vlak een rij rieten strandstoelen in de zon. Juist door die schijnbare losheid krijgt de voorstelling haar levendigheid. Bijzonder is dat Israels, de mensenschilder, hier niemand centraal stelt. Er zijn geen herkenbare mensen te zien; het onderwerp is de hele badplaats, en het werk is eerder een landschap. Toch blijft het menselijk. Overal zijn kleine tekens van aanwezigheid: wandelaars op de boulevard, badgasten op het strand, figuurtjes langs de waterlijn, paarden en rijtuigen. De mensen zijn klein tegenover de wijde lucht en zee. Het strand is bij Israels nooit zomaar landschap; het is een toneel waarop het moderne leven zich afspeelt, en het eigenlijke onderwerp is het plezier van een dagje aan zee.
Scheveningen was voor Israels een vertrouwde plek. Hij groeide op in Den Haag en keerde, na een periode in Amsterdam en een lang verblijf in Parijs, er later weer terug. Zijn vader Jozef Israels had in Scheveningen vooral het zware bestaan van de vissers geschilderd; Isaac koos een ander onderwerp. Hij koos voor het moderne, lichte leven van de badplaats: flanerende dames, kinderen op ezeltjes, amazones, wandelaars op de pier en badgasten die zich in de zon vermaken. Isaac zocht het moderne, lichtere leven op in theaters, parken en modehuizen en ook op boulevards en stranden. Scheveningen was bij uitstek zo’n plaats geworden waar de nieuwe tijd zichtbaar was geworden. De in 1901 geopende Pier, officieel het Wandelhoofd Koningin Wilhelmina genoemd, voltooide de transformatie van vissersplaats naar mondaine badplaats. De Pier was niet alleen iets heel moderns, het spectaculaire nieuwe bouwwerk bood hem een sterk compositorisch motief. De pier fungeert hier niet alleen als herkenningspunt, maar ook als ritmische lijn die de blik het beeld intrekt. Het achthoekige paviljoen verankert die beweging en verbindt de verschillende horizontale vlakken met elkaar. De techniek draagt wezenlijk bij aan het effect. Israels werkte hier met aquarel en gouache. De transparantie van de aquarel geeft lucht en zee hun frisheid. De gouache zorgt voor de dekkende accenten in figuren, strandkorven en parasols. Het resultaat is een zinderende impressie waarin alles in beweging lijkt: de wolken, de wandelaars, het licht op het zand. De bijna lege voorgrond versterkt het gevoel van zonlicht en afstand; verderop verdicht het beeld zich in een warme strook van badgasten en parasols, en daarachter opent zich de zee, kalm en helder. Zo ontstaat een subtiel evenwicht tussen drukte en ruimte, tussen observatie en abstractie. Het werk is een samenvatting van wat Israels aan Scheveningen fascineerde: het licht, de beweging, de elegantie van het flaneren en de vrolijke vluchtigheid van een zomerdag. Met minimale middelen roept hij een wereld op die iedereen kent: de zee in de verte, de drukte op het strand en het gevoel van een eindeloze, zorgeloze dag.
Isaac Israels was de enige zoon van de schilder Jozef Israels. Het gezin verhuisde in 1871 van Amsterdam naar Den Haag. Isaac kreeg daar ook zijn opleiding aan de academie tegelijk met o.a. George Breitner, Floris Verster en Marius Bauer. Hij was van jongs af aan een veelbelovend kunstenaar en won al vroeg prijzen voor zijn schilderijen. In de jaren ’80 specialiseerde Isaac zich in militaire onderwerpen, een belangstelling die hij deelde met Breitner en Verster. Ondanks deze veelbelovende start vond hij dat zijn opleiding nog niet was voltooid en ging naar Amsterdam, waar hij opgenomen werd in de kring der Tachtigers. Het woelige stadleven werd de rode draad door zijn werk. Tussen 1887 en 1894 is het stil rondom hem: weinig schilderijen zijn uit deze periode bekend. Vanaf het midden van de jaren ‘90 ging Israels ‘s zomers terug naar Den Haag waar hij samen met zijn vader aan het strand ging schilderen. Zij huurden dan een villa in Scheveningen. Isaacs in Amsterdam ontwikkelde impressionistische stijl bleek bij uitstek geschikt om het vrolijke strandleven met luchtige, lichte toets vast te leggen. Zijn schilderijen van ezeltje rijdende kinderen waren publiekslievelingen en zijn nog altijd bijzonder geliefd. Israels grapte dat de verkoop van een schilderij “de Hoogste der kunsten” was. Zijn ezeltje-rijdende kinderen werden gretig gekocht voor hoge prijzen, en kunnen alleen al om die reden als hoogtepunten in zijn oeuvre worden beschouwd. Isaac Israels was niet alleen de virtuoze schilder van het moderne (stads)leven, hij was ook een bijzonder begaafd portrettist. Vooral in de laatste fase van zijn leven maakte hij in opdracht portretten van belangrijke Nederlanders. Ook in dit genre bleven vrouwen zijn favoriete onderwerp. Zijn hele leven had hij het liefst dienstmeisjes, Amsterdamse straatmeiden, telefonistes, mannequins in warenhuizen en naaktmodellen getekend en geschilderd. Ook zijn vrouwenportretten vormen hoogtepunten in zijn oeuvre, zoals van de spionne Mata Hari, de eerste vrouwelijke arts Aletta Jacobs en de actrice Fie Carelsen. Isaac Israels was gewend een snelle karakteristiek te geven van zijn modellen. Een rake typering moest in één keer op het doek verschijnen. Zijn beste schilderijen zijn dan ook levendig, spontaan en precies goed getroffen. ‘Ik heb laatst toen ik uit mijn raam keek een aanval van patriotisme gehad tot mijn verbazing. Het hollandsche is toch naar mijn idee het mooiste wat er bestaat.’ schreef Isaac Israels op weg naar Londen vanuit Hamburg aan de schilder Willem Witsen. Dat belette hem niet om rusteloos het continent op en neer te reizen. Israels reisde altijd al graag. Als kind al ging hij jaarlijks met zijn ouders naar Parijs. Hij maakte reizen naar Italië, Spanje en Noord-Afrika, Zwitserland, Spanje en Scandinavië om te tekenen en te schilderen. In de jaren ‘20 bracht hij zelfs enige tijd door in Nederlands-Indië. Vanaf 1903 had Israels een eigen atelier in Parijs, waar hij zijn favoriete onderwerpen vond onder modieuze Parijzenaren en zich kon onderdompelen in de moderne kunst die daar te zien was. In de lente van 1913 verruilde hij die stad voor Londen, waar hij een tijd een eigen studio had. Ondanks alle reizen en alle indrukken bleef Israels altijd zichzelf. Hij was in Parijs een buurman van Picasso, ging de stad in met Kees van Dongen, bewonderde de symbolist Odilon Redon en had een tijd een van de Zonnebloemen van Vincent van Gogh aan de muur. Door al die moderne indrukken liet hij zich echter niet meer van zijn moeizaam ontwikkelde pad afbrengen. Na zijn Amsterdamse jaren werd zijn palet wat lichter en zijn onderwerpen mondainer, maar hij bleef tot zijn dood vasthouden aan zijn virtuoze impressionistische stijl. In 1923 vestigde hij zich definitief op de Haagse Koninginnegracht, waar hij het atelier van zijn vader tot lang na diens dood leeg had laten staan.