Olieverf / Doek: 127 x 78 cm
Op een middag in 1916, in een salon of paskamer van modehuis Hirsch & Cie aan het Leidseplein, wordt thee geschonken. Het is een thé-select: een besloten modeshow voor klanten die voorheen voor dit soort gelegenheden naar Parijs moesten. Twee mannequins tonen de collectie. De ene kijkt weg, langs de beschouwer heen. De ander kijkt terug, naar het punt waar Isaac Israels stond en waar nu de beschouwer staat.
In de salon van Hirsch liggen die rollen vast: wie koopt, kijkt; wie showt, wordt bekeken. Dat verschil gaat verder dan etiquette. In de zaal showden meisjes uit eenvoudige milieus japonnen aan de vrouwelijke elite, maar ook aan het Nederlandse koningshuis; op de bovenverdieping zaten de naaisters. Israels kende dat hele gebouw en legde het ook vast: de shows, de paskamers en de ateliers, nuchter registrerend. De zittende vrouw blijft binnen deze conventies; de staande vrouw stapt daarbuiten door ons aan te kijken. Dit schilderij gaat zowel over kijken als over mode.
Israels heeft de voorstelling zorgvuldig gecomponeerd. Tussen de hoofden van beide figuren loopt een diagonaal die een kwart van het vlak overspant. De linkerbovenhoek heeft hij vrijwel leeg gelaten. De zittende vrouw rechtsvoor is driekwart gedraaid, met haar hoofd naar links, en haar handen rusten in haar schoot. De staande vrouw is frontaal geplaatst; met haar linkerhand steunt ze vermoedelijk op een gordijnstang. De roze-violette japon spreidt zich uit over de onderste helft van het doek, terwijl het gedempte zwart van de staande figuur beperkt blijft tot een smalle verticale lijn tegen de vlakke grijswitte wand. Beide gezichten zijn fijn uitgewerkt; hun lichamen en japonnen zijn daarentegen geschilderd in een brede, losse toets, waarbij Israels met de 'nat-in-nat'-techniek heeft gewerkt. De doekstructuur blijft in de achtergrond zichtbaar, omdat hij de verf hier veel schraler heeft aangebracht.
De reeks die Israels bij Hirsch schilderde, geldt als een van de belangrijkste uit zijn latere werk. Dit doek is daarbinnen uitzonderlijk door zijn royale formaat en het gedempte palet van roze, violet, zwart en grijswit. Met een hoogte van 127 centimeter is de staande figuur vrijwel levensgroot: wie voor het schilderij staat, kijkt haar in de ogen. In 2002 en 2003 was het werk te zien in het Gemeentemuseum in Den Haag (tegenwoordig Kunstmuseum Den Haag), als voorbeeld van de vastlegging van de modewereld in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog.
De Amsterdamse vestiging van Hirsch werd op 25 september 1882 geopend door Sylvain Kahn en Sally Berg, met financiering van Leo Hirsch, die in Brussel al een modehuis had. Kahn en Berg introduceerden de haute couture in Nederland: voor het eerst konden vrouwen uit de elite in eigen land couture laten maken. Met de nieuwbouw van het pand in 1912, naar ontwerp van architect A. Jacot en met assistentie van bouwkundige J.G. Snuif, versterkte het modehuis zijn positie verder. Hirsch was vooruitstrevend; ter gelegenheid van de opening van het nieuwe pand organiseerde het de eerste modeshow voor genodigden in Nederland, met mannequins die uit Parijs waren overgekomen. Daarmee ontstond in Amsterdam de wereld waarin Israels zijn onderwerp vond: mode in de moderne tijd.
De tweelingzussen Helena (1895-1964) en Geertruida Wehmann (1895-1975) werkten respectievelijk onder de namen Ippy en Gertie. Op hun zestiende werden zij door hun ouders naar Londen gestuurd om werk- en levenservaring op te doen en de Engelse taal te leren. Daar werden ze als model ontdekt en gingen ze naar alle waarschijnlijkheid werken voor Lucile aan Burlington Street: het huis van Lucy Duff-Gordon, die de mannequinparade bedacht, de eerste beroepsmannequins opleidde en in 1912 de ondergang van de Titanic overleefde. Via Parijs keerden de zussen terug naar Amsterdam, waar zij tussen 1916 en 1918 tot de meest gevraagde mannequins van de stad behoorden. Hun eigen namen kwamen daar niet aan te pas: Israels titelde zijn doeken met de namen die het vak hun had gegeven.
Via collega en vriendin Thérèse Schwartze kreeg Israels rond 1900 toegang tot Hirsch, waar hij tijdens modeshows, in de paskamers en in de naaiateliers de modellen schilderde. Via Hirsch werd hij geïntroduceerd bij het modehuis Paquin in Parijs. Rond 1903 vestigde hij zich daar en werkte hij voor Paquin en het modehuis Drecoll. In 1913 verruilde hij Parijs voor Londen; in 1915 keerde hij terug naar Nederland. Tussen 1916 en 1918 bezocht hij samen met zijn partner Sophie de Vries de thé-selects bij Hirsch en raakte hij in de ban van de tweelingzusjes. Hij portretteerde hen regelmatig, zowel samen als apart.
In 1941 stelde de bezetter een Duitse bewindvoerder (Verwalter) aan en moest de joodse directie vertrekken. Arnold Bernard Kahn, zoon van medeoprichter Sylvain Kahn, stierf dat jaar in Buchenwald. Ook meerdere medewerkers overleefden de oorlog niet; voorraad en inventaris werden naar Duitsland gestuurd en in 1943 volgde de liquidatie. Hirsch & Cie keerde in 1948 terug in een deel van het oude pand, maar op een fractie van de oorspronkelijke schaal.
Geertruida Wehmann stierf in 1975, een jaar voordat het huis waarvoor zij poseerde definitief zijn deuren sloot. Het pand staat er nog, als rijksmonument, met sinds 2012 een Apple Store over twee verdiepingen. Op het hoektorentje staat de naam Hirsch nog altijd in sierlijke letters. Van de salon zelf rest dit doek.
Isaac Israels was de enige zoon van de schilder Jozef Israels. Het gezin verhuisde in 1871 van Amsterdam naar Den Haag. Isaac kreeg daar ook zijn opleiding aan de academie tegelijk met o.a. George Breitner, Floris Verster en Marius Bauer. Hij was van jongs af aan een veelbelovend kunstenaar en won al vroeg prijzen voor zijn schilderijen. In de jaren ’80 specialiseerde Isaac zich in militaire onderwerpen, een belangstelling die hij deelde met Breitner en Verster. Ondanks deze veelbelovende start vond hij dat zijn opleiding nog niet was voltooid en ging naar Amsterdam, waar hij opgenomen werd in de kring der Tachtigers. Het woelige stadleven werd de rode draad door zijn werk. Tussen 1887 en 1894 is het stil rondom hem: weinig schilderijen zijn uit deze periode bekend.
Vanaf het midden van de jaren ‘90 ging Israels ‘s zomers terug naar Den Haag waar hij samen met zijn vader aan het strand ging schilderen. Zij huurden dan een villa in Scheveningen. Isaacs in Amsterdam ontwikkelde impressionistische stijl bleek bij uitstek geschikt om het vrolijke strandleven met luchtige, lichte toets vast te leggen. Zijn schilderijen van ezeltje rijdende kinderen waren publiekslievelingen en zijn nog altijd bijzonder geliefd. Israels grapte dat de verkoop van een schilderij “de Hoogste der kunsten” was. Zijn ezeltje-rijdende kinderen werden gretig gekocht voor hoge prijzen, en kunnen alleen al om die reden als hoogtepunten in zijn oeuvre worden beschouwd. Isaac Israels was niet alleen de virtuoze schilder van het moderne (stads)leven, hij was ook een bijzonder begaafd portrettist. Vooral in de laatste fase van zijn leven maakte hij in opdracht portretten van belangrijke Nederlanders. Ook in dit genre bleven vrouwen zijn favoriete onderwerp. Zijn hele leven had hij het liefst dienstmeisjes, Amsterdamse straatmeiden, telefonistes, mannequins in warenhuizen en naaktmodellen getekend en geschilderd. Ook zijn vrouwenportretten vormen hoogtepunten in zijn oeuvre, zoals van de spionne Mata Hari, de eerste vrouwelijke arts Aletta Jacobs en de actrice Fie Carelsen. Isaac Israels was gewend een snelle karakteristiek te geven van zijn modellen. Een rake typering moest in één keer op het doek verschijnen. Zijn beste schilderijen zijn dan ook levendig, spontaan en precies goed getroffen. ‘Ik heb laatst toen ik uit mijn raam keek een aanval van patriotisme gehad tot mijn verbazing. Het hollandsche is toch naar mijn idee het mooiste wat er bestaat.’ schreef Isaac Israels op weg naar Londen vanuit Hamburg aan de schilder Willem Witsen. Dat belette hem niet om rusteloos het continent op en neer te reizen. Israels reisde altijd al graag. Als kind al ging hij jaarlijks met zijn ouders naar Parijs.
Hij maakte reizen naar Italië, Spanje en Noord-Afrika, Zwitserland, Spanje en Scandinavië om te tekenen en te schilderen. In de jaren ‘20 bracht hij zelfs enige tijd door in Nederlands-Indië. Vanaf 1903 had Israels een eigen atelier in Parijs, waar hij zijn favoriete onderwerpen vond onder modieuze Parijzenaren en zich kon onderdompelen in de moderne kunst die daar te zien was. In de lente van 1913 verruilde hij die stad voor Londen, waar hij een tijd een eigen studio had. Ondanks alle reizen en alle indrukken bleef Israels altijd zichzelf. Hij was in Parijs een buurman van Picasso, ging de stad in met Kees van Dongen, bewonderde de symbolist Odilon Redon en had een tijd een van de Zonnebloemen van Vincent van Gogh aan de muur. Door al die moderne indrukken liet hij zich echter niet meer van zijn moeizaam ontwikkelde pad afbrengen. Na zijn Amsterdamse jaren werd zijn palet wat lichter en zijn onderwerpen mondainer, maar hij bleef tot zijn dood vasthouden aan zijn virtuoze impressionistische stijl. In 1923 vestigde hij zich definitief op de Haagse Koninginnegracht, waar hij het atelier van zijn vader tot lang na diens dood leeg had laten staan.