Olieverf / Doek: 100 x 64 cm
Een Spaanse danseres staat recht voor ons, de ene hand in de zij, het lichaam licht gedraaid. Haar blik is donker en uitdagend. Zij is zoals we verwachten bij Isaac Israels, niet uitgewerkt tot in de details, maar met een paar snelle toetsen neergezet. De roodbruine Spaanse jurk, de zwarte haren en de donkere ogen zijn net genoeg uitgewerkt. De verf is los en snel aangebracht, maar altijd trefzeker: de houding, de hand, de blik, de uitwaaierende plooien van de jurk: het schilderij leeft. Isaac Israels had niet veel nodig om een figuur tot leven te wekken.
In zijn Parijse jaren was Israels voortdurend op zoek naar beweging, leven en licht in het moderne stadse leven. Hij vond zijn onderwerpen op straat, in parken, in cafés, theaters, modehuizen en danszalen. Vanaf 1904 woonde hij aan de Boulevard de Clichy, aan de rand van Montmartre. Dat was toen een wijk vol cabarets, cafés-chantants en dansgelegenheden; een levendige uitgaanswereld die precies paste bij zijn temperament. Israels hield van het vluchtige moment, van wat maar even zichtbaar was en daarna alweer verdween. In 1913 raakte hij in de ban van de Spaanse Flamenco. In Montmartre was er een authentieke Spaanse danstent geopend, La Feria. Het was een replica van een Andalusisch café met een tablao; een klein podium waarop gedanst werd en muziek gemaakt. In een brief aan zijn vriend Frans Erens schreef Israels: “Er is hier nu een ‘cabaret de danse’, zeer authentiek Spaans, dat het niet ontbreekt aan couleur locale.” Hij maakte verschillende schilderijen en pastels van wat hij daar zag. In sommige versies zien we de danseres op het podium in een vol café, begeleid door gitaristen en palmas (handgeklap). Ons schilderij is geen folkloristische voorstelling, noch registratie van een optreden. Hier heeft Isaac Israels de voorstelling geconcentreerd tot één figuur: de danseres zelf. Hij heeft haar waarschijnlijk gevraagd om in zijn atelier te komen poseren.
De achtergrond is bijna leeg gehouden, in lichte grijsblauwe en roomkleurige tonen. Daardoor komt alle nadruk te liggen op de vrouw in haar donkere, roodbruine jurk. Zij is niet midden in een dansbeweging gevangen, maar ze maakt een alerte en zelfbewuste indruk. Haar houding verraadt nog de energie van de dans en tegelijkertijd de pose van iemand die gewend is dat er naar haar gekeken wordt.
De fascinatie voor Spanje liep als een rode draad door Israels’ leven. Al in 1889 zag hij, op de Wereldtentoonstelling in Parijs, samen met Frans Erens, een optreden van Juana Vargas, "La Macarrona", een van de grootste flamencodanseressen ooit. Zij maakte bij die gelegenheid haar internationale debuut. Erens beschreef later in het prozagedicht Gitanas hoe dat was: Roodgloeiend de roos op het zwartgloeiend haar, komt Maccarona vooruit; trekt scherp haar gezicht, spits en roodbruin met vinnig-zwarte oogen. Zij stampt op den grond en lacht in een blank zwarten oogenstraal. En zij stampt en stampt en lacht ondeugend en de anderen schreeuwen, vooruit-krijtend de stampende begeerte, de prikkelende lust.
Bij veel Nederlandse kunstenaars aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw was Spanje een geliefd thema. Ook Isaacs collega’s Jacobus van Looy, Piet van der Hem, Kees Maks en Jan Sluijters gingen naar Spanje en kwamen terug met schilderijen van flamencodanseressen, kleurig geklede Gitanas en stierenvechters. Om het overlijden van Isaacs moeder in 1894 te verwerken maakte hij samen met zijn vader en Frans Erens een reis door Spanje. Van Isaac is er slechts een schetsboekje van deze reis overgebleven. Zijn vader maakte wel veel schetsen en gaf zelfs een boek uit met zijn reisverslag, waarin hij schrijft over de mooie vrouwen met bloemen in hun zwarte haar. Isaac ging na deze reis steeds meer buiten werken en zijn palet werd lichter en kleuriger. Israels kwam vaak terug op dit onderwerp. In de talloze tekeningen, aquarellen, pastels en olieverfschilderijen die hij maakte in het woelige uitgaansleven van Montmartre vormen de werken uit La Feria een bijzonder hoogtepunt. Hij vond hier zijn liefde terug voor de Spaanse cultuur.
Isaac Israels was de enige zoon van de schilder Jozef Israels. Het gezin verhuisde in 1871 van Amsterdam naar Den Haag. Isaac kreeg daar ook zijn opleiding aan de academie tegelijk met o.a. George Breitner, Floris Verster en Marius Bauer. Hij was van jongs af aan een veelbelovend kunstenaar en won al vroeg prijzen voor zijn schilderijen. In de jaren ’80 specialiseerde Isaac zich in militaire onderwerpen, een belangstelling die hij deelde met Breitner en Verster. Ondanks deze veelbelovende start vond hij dat zijn opleiding nog niet was voltooid en ging naar Amsterdam, waar hij opgenomen werd in de kring der Tachtigers. Het woelige stadleven werd de rode draad door zijn werk. Tussen 1887 en 1894 is het stil rondom hem: weinig schilderijen zijn uit deze periode bekend. Vanaf het midden van de jaren ‘90 ging Israels ‘s zomers terug naar Den Haag waar hij samen met zijn vader aan het strand ging schilderen. Zij huurden dan een villa in Scheveningen. Isaacs in Amsterdam ontwikkelde impressionistische stijl bleek bij uitstek geschikt om het vrolijke strandleven met luchtige, lichte toets vast te leggen. Zijn schilderijen van ezeltje rijdende kinderen waren publiekslievelingen en zijn nog altijd bijzonder geliefd. Israels grapte dat de verkoop van een schilderij “de Hoogste der kunsten” was. Zijn ezeltje-rijdende kinderen werden gretig gekocht voor hoge prijzen, en kunnen alleen al om die reden als hoogtepunten in zijn oeuvre worden beschouwd. Isaac Israels was niet alleen de virtuoze schilder van het moderne (stads)leven, hij was ook een bijzonder begaafd portrettist. Vooral in de laatste fase van zijn leven maakte hij in opdracht portretten van belangrijke Nederlanders. Ook in dit genre bleven vrouwen zijn favoriete onderwerp. Zijn hele leven had hij het liefst dienstmeisjes, Amsterdamse straatmeiden, telefonistes, mannequins in warenhuizen en naaktmodellen getekend en geschilderd. Ook zijn vrouwenportretten vormen hoogtepunten in zijn oeuvre, zoals van de spionne Mata Hari, de eerste vrouwelijke arts Aletta Jacobs en de actrice Fie Carelsen. Isaac Israels was gewend een snelle karakteristiek te geven van zijn modellen. Een rake typering moest in één keer op het doek verschijnen. Zijn beste schilderijen zijn dan ook levendig, spontaan en precies goed getroffen. ‘Ik heb laatst toen ik uit mijn raam keek een aanval van patriotisme gehad tot mijn verbazing. Het hollandsche is toch naar mijn idee het mooiste wat er bestaat.’ schreef Isaac Israels op weg naar Londen vanuit Hamburg aan de schilder Willem Witsen. Dat belette hem niet om rusteloos het continent op en neer te reizen. Israels reisde altijd al graag. Als kind al ging hij jaarlijks met zijn ouders naar Parijs. Hij maakte reizen naar Italië, Spanje en Noord-Afrika, Zwitserland, Spanje en Scandinavië om te tekenen en te schilderen. In de jaren ‘20 bracht hij zelfs enige tijd door in Nederlands-Indië. Vanaf 1903 had Israels een eigen atelier in Parijs, waar hij zijn favoriete onderwerpen vond onder modieuze Parijzenaren en zich kon onderdompelen in de moderne kunst die daar te zien was. In de lente van 1913 verruilde hij die stad voor Londen, waar hij een tijd een eigen studio had. Ondanks alle reizen en alle indrukken bleef Israels altijd zichzelf. Hij was in Parijs een buurman van Picasso, ging de stad in met Kees van Dongen, bewonderde de symbolist Odilon Redon en had een tijd een van de Zonnebloemen van Vincent van Gogh aan de muur. Door al die moderne indrukken liet hij zich echter niet meer van zijn moeizaam ontwikkelde pad afbrengen. Na zijn Amsterdamse jaren werd zijn palet wat lichter en zijn onderwerpen mondainer, maar hij bleef tot zijn dood vasthouden aan zijn virtuoze impressionistische stijl. In 1923 vestigde hij zich definitief op de Haagse Koninginnegracht, waar hij het atelier van zijn vader tot lang na diens dood leeg had laten staan.